Over de mens die de bekerende werking van God ontvangt en daardoor wedergeboren wordt

En ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en ik zal u een vlesen hart geven. Ezechiël 36:26

De mens is voor zijn wedergeboorte dood, en krijgt door de wedergeboorte het leven. Tussen dood en leven is geen derde staat. Die is er ook niet tussen bekeerd en onbekeerd.Men kan de roeping, wedergeboorte, bekering en heiligmaking wel onderscheiden, als op elkaar volgend, maar de Schrift gebruikt dit verschil niet altijd. We moeten ook niet menen dat elke daad zo na elkaar volgt als we al genoemd hebben.Nee, maar we kunnen nu eenmaal niet alles tegelijk zeggen en moeten daarom het ene na het andere stellen.
De wedergeboorte is absoluut noodzakelijk. Zoek gerust de hele Bijbel door en u zult er niet één vinden die zalig geworden is zonder wedergeboorte, hoe burgerlijk en uiterlijk godsdienstig ze ook leefden. Zelfs voor een Nicodemus, een leraar in Israël, een onberispelijk man. Zelfs een Paulus, die onberispelijk naar de wet was, had bekering nodig. En hoe zou een mens omgang met God kunnen hebben zonder wedergeboorte?
De mens is in zijn natuur enkel duisternis; boos en vijandig tegen God. God daarentegen is licht en heiligheid, zodat goddelozen niet met Hem kunnen verkeren. Een mens moet bekeerd zijn, om omgang met God te kunnen hebben.
Het is ook de belofte van het verbond, dat God Zijn bondgenoten bekeren zal. De tekst zegt hiervan: 'En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.'
De mens die geen nieuw hart heeft, is geen bondgenoot. Hoe bezorgd moet ieder hierover zijn. Stel uzelf deze vraag eens: 'Ben ik al wedergeboren?' En kijk eens wat u daarop zult antwoorden: ja of nee. Een derde weg is er niet. Velen zijn zo dor, dat ze zich die vraag nooit stellen. Anderen verbeelden zich dat ze wedergeboren zijn, en denken dat het leven dat ze leiden de wedergeboorte is waarop de zaligheid volgen zal.Weer anderen zijn door een schandelijke zonde eens bang geweest voor de verdoemenis en hebben gebeden om vergeving, en ze leven nu zo niets van hen te zeggen valt. Daar gaat een mens mee naar bed, en daarna slaapt hij gerust in de zonde.

(W. à Brakel - De redelijke godsdienst, van de wedergeboorte, 15 april).