De voetwassing

Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.

1 Johannes 3:9



Men heeft deze woorden op twee manieren uitgelegd en wij geloven dat ze beide even waar zijn.

  1. De meer algemene uitleg is dat hij die uit God geboren is, niet wil zondigen.

Omdat hij den nieuwen mens aangedaan heeft, die naar God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, kan hij niet zondigen met volledige instemming en overeenstemming van de wil.

Hij haat de zonde, hij vecht ertegen en hij biedt er weerstand aan.


Maar iemand zou kunnen vragen: “Is niet alle zonde een daad van de wil?”

Wij antwoorden: "Niet van de vernieuwde wil."

De apostel spreekt van twee willen, of liever, dezelfde wil, maar beheerst door tegengestelde invloeden.

In Rom. 7:15 lezen wij: Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, want hetgeen ik haat, dat doe ik.

En in vers 19: Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.


Er zullen niet veel mensen zijn die beweren dat Paulus hier van zichzelf spreekt als een onwedergeboren persoon.

En toch wijst hij op twee tegenstrijdige zaken die in hem wonen, namelijk de ene aan de kant van de heiligheid en de andere aan de kant van de zonde.

Hetgeen ik haat, dat doe ik. Iemand kan onmogelijk de zonde haten als hij niet uit de Geest geboren is.

De vreze des Heeren is te haten het kwade. En toch zegt hij: Hetgeen ik haat - de zonde die ik zo afschuwelijk vind - dat doe ik.


Is de wil aanwezig in de daad?

Als wij logisch nadenken, dan moeten wij antwoorden: "Ja." Iedere zonde moet vrijwillig zijn, dat kan niet anders.

Als het niet zo is, dan is het geen zonde.

Is er overeenstemming en instemming van de vernieuwde wil in de handeling?

Ware genade eist dat wij “nee” zeggen.

Want hetgeen ik haat - en hier hebben wij het kenmerk van iemand die wedergeboren is - dat doe ik.

En dit is de daad van de wil onder de invloed van de inwonende zonde.



Maar er is nog een andere, sterkere uitleg die op deze passage van toepassing is.

  1. Dat is de volgende: Hij die uit God geboren is, zondigt in het geheel niet.

Hij heeft een wedergeboren ziel, een inwonend, levend beginsel van genade en heiligheid, dat een natuurlijke en blijvende neiging heeft tot heiligheid.

Hij (de nieuwe mens) kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.

Hij kan niet zondigen.

Waarom niet? Want Zijn zaad blijft in Hem.

En wat is dat zaad? Onverderfelijk.

Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad.

Christus Zelf zegt: Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.

Het is geestelijk, heilig, van boven, de Goddelijke natuur, het kan niet zondigen, omdat het uit God geboren is.


Opnieuw vragen wij te letten op dit grote bewijs van wedergeboorte.

Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet.

Hij doet de zonde niet met de totale, absolute en volledige toestemming en instemming van de vernieuwde wil.

Hij geeft zichzelf niet over om de zonde gieriglijk te bedrijven. Hij wil het goede doen. Hij haat de zonde. De genade regeert en niet de zonde.

De zonde woont wel in hem, maar beheerst hem niet. De zonde heeft wel macht, maar ze heerst niet over hem. Hij wordt wel door de zonde gekweld, maar ze regeert niet met een voortdurende, ongebroken oppermacht, overeenkomstig de belofte: Want de zonde zal over u niet heersen.

De zonde kan wel voor enige tijd de overhand hebben, zoals dat het geval was met David, Salomo, Petrus en met een groot aantal van de meest vooraanstaande heiligen.

Toch wordt de belofte bewaarheid als wij zien hoe zij door de gezegende Geest worden hersteld in hun geest en in hun gedrag, in hun verootmoediging en belijdenis van schuld, in hun heilige en oprechte wandel met God in de jaren daarna.


Lezer, bent u ooit ontdekt aan uw inwendige plaag?

Wat kent u van de innerlijke strijd, van het vlees dat tegen den Geest begeert en de Geest tegen het vlees?

Uw eerlijke antwoord bepaalt de grote vraag of u uit God geboren bent.



(Avondgedachten - 4 maart, O. Winslow)