De toestand van de Nederlandse kerk

O Heere, maak mij levend om Uws Naams wil;voer mijn ziel uit de benauwadheid om Uw gerechtigheid.

(pslam 143:11)



De tijd die we nu meemaken is een heel geesteloze en ingezonken tijd. De Heere is ernstig geweken van Zijn volk. Hij staat van ver, Hij verbergt Zich van Zijn erfdeel, want de ongerechtigheid heeft een grote scheiding gemaakt. De zonde is er de oorzaak van dat hoewel men roept, de Heere niet hoort, maar bovendien het gebed in toorn verstoot.Ondanks al het roepen - zowel in het openbaar als op verborgen plaatsen - om verlost te worden van de oordelen waaronder wij zuchten, is er geen verlossing. Integendeel, er is vermeerdering en verzwaring van oordelen. De algemene klacht van de vromen in ons land en in onze steden, niet alleen hier maar ook in andere landen, bevestigt dit heel duidelijk.
Bijna iedereen zegt immers dat God sinds lang ver van ons geweken is. Beste mensen, wilt u zich ervan laten overtuigen dat dit waar is, probeer dan maar met mij op de volgende zaken te letten, en overweeg die in uw hart. Dat het waar is wat we gezegd hebben, blijkt uit de god-loosheid in de praktijk van het leven en uit het feit dat uw hart zonder indrukken blijft. Die beide zaken hebben zich als een kanker en melaatsheid uitgespreid over het erfdeel van de Heere.
  • Waar is het ontzag voor Gods hoogheid die te vrezen is?
  • Waar wordt de Heere nog voortdurend voor ogen gesteld?
  • Waar wandelt men, zowel in het openbaar als in eigen huis, voor het oog van de Heere en in Zijn tegenwoordigheid?
  • Waar is die nauwgezette en voorzichtige levenswandel om het kwaad te ontvluchten?
Dat geldt voor grote en kleine, openbare en verborgen zonden; dat geldt voor alles wat kwaad schijnt of ook werkelijk kwaad is.
  • Waar let men nog gewetensvol op alle geboden van de Heere om zijn hele leven daarop te richten?
Is het zo dat men vanuit een kinderlijk ontzag voor de Heere en vanwege een teer gemoed niet wíl en ook niet kan leven als men zijn plicht verzuimt of zonde doet? Lezer, ik denk dat dit vér te zoeken is.
Van onszelf en van anderen moeten we zeggen dat we de meeste tijd leven alsof er geen God is. Men moet vaak bidden of men die allerbelangrijkste waarheid, namelijk dat er een God is, eens oprecht mag geloven. Hier komt de losbandigheid uit voort en het 'weiden in de ruimte als een ongewend kalf. Ook is hieruit te verklaren dat er geen of maar een heel klein onderscheid is tussen beschaafde, nette mensen en kinderen van God. En dat betreft dan ook de uitoefening van hun godsdienstplichten in het openbaar of in eigen huis, en hun levenswandel. O, wat zijn de kostelijke kinderen van Sion de aarden flessen gelijk geworden.
Ook als er al mensen zijn die enige indruk hebben van de ellendige toestand van hun ziel, zij merken toch dat het niet drukt en zwaar als vroeger. Ze zien ook dat de indrukken niet diep genoeg gaan en niet op hun hart blijven wegen. Die indrukken veroorzaken geen aanhoudend en hevig roepen om redding en verzoening, maar ze verlaten ons voordat we halverwege tot het bloed van Jezus Christus zijn gekomen; dat bloed, dat alleen het geweten reinigen kan van dode werken om de levende God te dienen. Helaas, de benauwdheid en het verdriet over de zonde en het ernstig aanhouden om Jezus opnieuw aan te nemen is meestentijds maar als een morgenwolk, een vroegkomende dauw, die heel snel voorbij gaat en de ziel verlaat zonder dat ze gered of hersteld wordt.
Zo nu en dan ontvangt men de genade dat men tot de Heere Christus mag komen, Hem hartelijk en gelovig mag omhelzen en zijn schuld op Hem mag leggen. Dan mag men zichzelf kwijtraken, kwijtschelding van schuld in zijn geweten ondervinden en de daaropvolgende vrede in de ziel ervaren.Dat is echter niet alleen zeldzamer dan in vorige tijden, maar bovendien merkt men dat de ziel er geen kracht uit ontvangt om nauwgezetter, standvastiger en eerbiediger te wandelen voor de Heere. De liefde verkoelt heel snel. Kort na de kwijtschelding van schuld bezoedelt men zich weer en komt men binnen enkele dagen weer in zijn oude doen. Dat is een duidelijk bewijs dat de geestelijke ingezonkenheid groot is. Anders zou het kleed van Christus gerechtigheid zeker verwarmen en zou Zijn vlees en bloed, door het geloof gegeten en gedronken, kracht geven om zich te verheugen in de wegen van de Heere.
Ten slotte blijkt de grote geestelijke dorheid uit de wereldse instelling en het slordig gedrag van Gods kinderen. Zo nu en dan zien zij het zelf en klagen: Ach, wie ben ik? En ook anderen zien het. Zij die door hun kleding, hun eerbiedige houding in het openbare leven en in Gods huis gewoon waren te stichten en anderen tot navolging op te wekken - hoewel zij geen woord spraken – zijn nu aan de wereld gelijkvormig geworden.
In de godsdienst geven ze ergernis en vanwege hun traagheid en het verzuim van de genademiddelen zijn ze een struikelblok voor hun onbekeerde buren. Ze zijn in de omgang vol met kletspraatjes, ze maken grappen en slaan zinloze en ruwe taal uit. Daardoor worden zij die met hen omgaan, niet gesticht. Hun hart wordt niet in gloed gezet; ze worden niet beschaamd, niet in toom gehouden en niet gestimuleerd om God te zoeken. Iedereen zal erkennen dat het hierdoor droevig gesteld is!
We hopen dat het ons gegeven zal worden het zo nu en dan te betreuren en uit te roepen: Ach ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen? De kinderen van de Heere zijn het zout der aarde; als dit smakeloos geworden is, waarmee zal het dan gezouten worden?

(Troost voor een missend hart, blz 30,31,32 - Alexander Comrie)